welpensterren boekje
teerpoot
1. Herken de verschillende fluitsignalen
Fluitsignalen dienen altijd snel opgevolgd te worden! Je moet ze allemaal zonder twijfelen kunnen herkennen!
Aandacht: kort – lang
Verzamelen: kort – kort – kort – lang
Stilte: kort – kort – kort
Opstaan (begin): lang – lang – lang
Taptoe (stop): laaaaaaang
Inspectie: kort – kort
2. Groet Akela en de leiding met de welpengroet
Als je welp bent, dan mag je de linkerhand reiken en welpen, verkenners en Gidsen en Leiding met de rechterhand groeten. Je wijs en middenvinger zijn gestrekt en uit elkaar gespreid. Die hou je tegen je hoofd. Je duim houdt je ringvinger en pink samen, dit wil zeggen dat je steeds je zwakkere welpenzusjes en broeders zult helpen en beschermen.
De gespreide vingers doen ook denken aan:
- de gespitste oren van de wolf, die steeds bereid is om te luisteren
- de 2 sterren die je kan behalen
- de 2 punten van de belofte
3. Zeg de wet op en leg hem uit
Als welp speel ik samen met de andere in de jungle
Ik luister naar de Oude Wolven
Ik ben eerlijk, vriendelijk en ik hou vol
Dit is de wet voor alle welpen van de hele wereld. De wet bestaat uit drie delen:
1: welpen spelen samen en moeten dus goed samenwerken
2: welpen moeten naar de leiding luisteren (oude wolven is een oud woord voor leiding) want zij hebben veel ervaring
3: welpen gedragen zich als echte scouts: ze zijn dus eerlijk, vriendelijk en houden vol
4. Zeg de belofte op en leg hem uit
Akela,
Graag wil ik welp zijn van onze horde.
Daarom wil ik mijn best doen om flink mee te spelen
Met alle welpen en Oude Wolven.
eerste ster
1. Platte knoop kunnen leggen en zijn nut kennen
Je moet deze knoop vlot en zonder fouten kunnen leggen. De Platte knoop dient om twee touwen stevig met elkaar te verbinden. Een foute platte knoop noemt een “oude meten knoop” en is niet stevig genoeg!
2. Paalsteek kunnen leggen en zijn nut kennen
Je moet deze knoop vlot en zonder fouten kunnen leggen. Je kunt deze knoop gebruiken om een lus rond iets te leggen, vb om een zeil op te spannen.
3. Losse strop kunnen leggen en zijn nut kennen
Je moet deze knoop vlot en zonder fouten kunnen leggen. Je kunt deze knoop gebruiken om vb een pakje te maken. Gebruik hem nooit op mensen, hij is te gevaarlijk daarvoor (vb stikken!).
4. Een spoor kunnen lezen en uitzetten
Wanneer je een spoor volgt moet je eraan denken dat niet alle spoortekens duidelijk zijn, soms moet je heel goed zoeken (vb onder een struik,…) De eerste regel bij het spoorlezen is dus dat je je ogen goed open moet houden!
Om een spoor uit te zetten moet je ervoor zorgen dat je spoor duidelijk leesbaar is én dat het intact zal blijven (dat niemand het zal wegdoen, vb een spoor met steentjes midden op het straat zal niet lang blijven staan, krijt spoelt weg als het regent…)
De regel is dat je aan ieder kruispunt een spoorteken aanbrengt. Als je iets speciaals moet doen (vb over een boomstam kruipen) moet je het teken “hindernis overschrijden” gebruiken. Als er iets gevaarlijks is (vb drukke straat oversteken) gebruik dan het gevaarteken. Let goed op als je een spoor uitzet, want elke fout kan een ramp betekenen!
5. Veilig met een mes kunnen omgaan
De regels van het mes kennen en kunnen toepassen:
-geef je mes nooit aan iemand zonder eerste ster
-breng nooit iemand in gevaar
-snijdt nooit naar jezelf
-loop nooit met een open mes rond
Als je een van deze regels overtreed wordt je eerste ster afgenomen, dus let hier heel goed op!
6. Het eigen huistelefoonnummer weten
Je moet je eigen huistelefoonnummer vlot aan de leiding kunnen vertellen. Akela zal dit controleren in de takmap.
7. Een telefoongesprek kunnen voeren
Als je eens niet naar de scouts kan komen moet je zelf bellen naar Akela. Je moet beleefd zijn en duidelijk zeggen wanneer en waarom je niet naar de scouts kan komen. Ook zal Akela je huistelefoonnummer vragen, dit moet je vanbuiten weten!
8. Gevaar van vuil in een wonde kennen
Wanneer je een wonde krijgt komt er altijd vuil in, ook al zie je het niet (vb steentjes, stof, …) Dit is gevaarlijk! Je kan er ziek van worden, de wonde kan gaan verzweren (dan geneest de wonde niet en doet ze pijn), je kan er een bloedvergiftiging van krijgen, … enz.
Om dit te voorkomen moet je je wonde spoelen met water van binnen naar buiten en daarna ontsmetten met ontsmettingsmiddel. Gebruik géén zeep!
9. Een bloedneus verzorgen
Een bloedneus is meestal niet ernstig, tenzij het slachtoffer een “bloedstoornis” heeft! (Om dit te weten kijkt Akela in de medische fiches). Het kan ook gevaarlijk zijn als er overal op de huid purperen vlekjes te zien zijn of als de bloeding is ontstaan na een val op het hoofd.
-het slachtoffer kalmeren en in een koele omgeving brengen
-het hoofd lichtjes naar voor buigen om te vermijden dat het bloed in de keel komt
-gedurende minstens 5 minuten op de neusvleugels drukken, zonder tussenin te kijken of het nog bloedt
-nadien eventueel bloedstelpende watte of een gaasje in zuurstofwater in de neus aanbrengen
-een dokter verwittigen als de bloeding blijft duren
10. Weten wat te doen in noodsituaties
Je moet zelf voorbeelden kunnen geven van wat een “noodsituatie” is, en wat geen “noodsituatie” is.
Algemeen kun je stellen dat je gedrag bij alle soorten ongevallen hetzelfde moet zijn: KALM BLIJVEN!
Je eigen kalmte zal de gekwetste reeds voor een deel geruststellen. Geef geen uitleg over de omvang van de wonden of andere zichtbare kwetsuren. Het zal de algemene toestand van de gekwetste ten goede komen. Een gekwetste is immers altijd min of meer overstuur. Het is veel beter hem gerust te stellen en de kwetsuur ietwat minder erg te doen overkomen.
Zorg eerst en vooral voor de VEILIGHEID voor jezelf, slachtoffers en omstaanders. Hou toeschouwers zo ver mogelijk weg; licht en lucht zijn zeer belangrijk voor de gekwetste en voor de helper.
Tracht zo snel mogelijk GESPECIALISEERDE HULP te verwittigen. De voornaamste oproepnummers zijn:
Ambulance en brandweer: 100
Politie: 101
Internationaal Noodnummer: 112 (voor vb gsm’s)
Meld duidelijk informatie over de plaats en aard van het ongeval. Geef ook het aantal gekwetsen door. Tracht de kwetsuren zo nauwkeurig mogelijk de omschrijven.
Laat de gekwetste bij voorkeur liggen waar hij ligt: hij/zij kan ernstige kwetsuren hebben die voor jou niet zichtbaar zijn en die je kunt verergeren, indien je hem/haar verplaatst.
BLOEDINGEN dien je wel onmiddellijk te stelpen. Probeer wel zoveel mogelijk contact met bloed te vermijden om de kans op besmetting zo klein mogelijk te houden. Roep zo snel mogelijk iemand van de leiding of een andere volwassene om dit te doen.
tweede ster
1. Platte knoop op de rug kunnen leggen
Echte scouts kunnen al hun knopen op de rug. Ze kunnen hem dan altijd leggen, ook als het heel snel moet gaan of op een heel moeilijke plaats.
2. Mastworp kunnen leggen en zijn nut kennen
Een mastworp dient om een touw aan een ronde balk te bevestigen. Je gebruikt hem onder andere bij het begin en het einde van een sjorring.
3. Achtsteek kunnen leggen en zijn nut kennen
Een gewone achtsteek dient om ervoor te zorgen dat het touw niet meer uitrafelt. Een dubbele achtsteek dient om een lus te maken om bijvoorbeeld het klimtouw aan je klimbroekje te hangen. De dubbele achtsteek is véél steviger dan een paalsteek maar een dubbele achtsteek moet je ergens overschuiven en een paalsteek kan je ergens rond maken.
4. Een kruissjorring kunnen leggen
Een sjorring maak je als je twee balken aan elkaar wilt “vastknopen”. Hoe je precies moet sjorren zal de leiding je voortonen. Vergeet deze trucjes niet: mastworp – binnen-buiten en nooit kruisen – mastworp!
5. Een schaafwonde of snee verzorgen
7. Vuur kunnen maken op de scoutsmanier
8. Kleren kunnen doven
9. Verzorgen van brandwonden
10. Een stafkaart begrijpen
Een stafkaart is een heel andere kaart als een wegenkaart of een plattegrond. Op de stafkaart staan vooral dingen over de natuur: waar lopen de rivieren, waar lopen de bospaadjes, waar liggen de loofbossen, waar de dennenbossen, waar de weiden, … Daarom is het natuurlijk de lievelingskaart van een scout.
Je moet op deze kaart een paar dingen kunnen aanduiden die de leiding vraagt (bijvoorbeeld: waar liggen er kerken, waar ligt het scoutslokaal, waar ligt het noorden, waar het zuiden,…)
Hoe je zo’n kaart precies kan gebruiken is moeilijk uit te leggen in dit boekje. Daarom zal je leiding je leren hoe een stafkaart werkt. Zorg ervoor dat je oplet want bij de welpen moet je soms zelf je weg zoeken met een kaart!
